De woorden die wij hebben gekend horen niet alleen thuis in de wereld van de ruimte waar wij ze voor het gemak situeren. Ze waren maar een smal part tussen de verdere indrukken die ons leven van toen uitmaakten; de herinnering aan een nieuw bepaald beeld is niets anders dan heimwee naar een bepaald ogenblik; en huizen, wegen en lanen zijn, helaas, vluchtig als de jaren. ‘De kant van Swann’ is het eerste deel in de zevendelige serie ‘Op zoek naar de verloren tijd’ van Marcel Proust. Het is wellicht de serie waar het meest naar verwezen wordt in andere literatuur. Een absolute klassieker in de Franse literatuur en dan volgt met ‘De kant van Swann’ mijn eerste kennismaking met Marcel Proust. Het oorspronkelijke boek is uitgebracht in 1987. De elfde herziene druk vertaald door Thérèse Cornips en Anneke Brassinga is gepubliceerd in 2009. “Ook in mijzelf zijn heel wat dingen waarvan ik dacht dat ze altijd zouden voorstaan tenietgedaan en hebben zich anderen gevestigd, nieuwe vreugde en tranen brengend die ik toen niet had kunnen voorspellen, net zoals het moeilijk is geworden die van vroeger te begrijpen.” In ‘De kant van Swann’ neemt de verteller je mee door een dwaling langs onvrijwillige herinneringen naar zijn jeugd in Combray, de liefde van Swann en plaatsnamen waarin hij droomt van plaatsen die hij nog wil bezoeken. Het begint met de beroemde madeleine die hij in zijn thee doopt waarin een eenvoudige smaakervaring een complete wereld van herinneringen oproept. Het neemt hem mee op een reis door de herinneringen van zijn jeugd in het landelijke dorpje Combray. Hij mijmert over zijn jeugd, de natuur, zijn familie en de twee wandelingen die men in de omgeving kon maken: 'de kant van Swann' en 'de kant van Guermantes'. Het tweede deel gaat over Swann en speelt zich af in een tijd voordat de verteller geboren wordt. Het volgt de rijke kunstkenner Charles Swann. Hij raakt geobsedeerd en diep ongelukkig verliefd op de Parijse courtisane Odette de Crécy. “Want wat wij onze liefde, onze jaloezie noemen is niet eenzelfde constante, deelbare passie. Ze bestaan uit een oneindig aantal achtereenvolgende liefdes en afzonderlijke jaloezieën, die vluchtig zijn, maar door hun ononderbroken veelheid de indruk van continuïteit, de schijn van eenheid wekken.” Het is een meeslepende analyse van jaloezie, bezitsdrang en hoe de liefde vaak een creatie van de eigen verbeelding is. Tot slot komen we in het derde deel weer terug bij het leven van de verteller waarin hij droomt van de verre oorden die hij in zijn leven wil bezoeken, zoals Florence en Balbec. Ook beschrijft hij zijn tienerliefde voor Gilberte, de dochter van Charles Swann en Odette, in de tuinen van de Champs-Élysées. Het boek is een landschap waarin je rondloopt, een museum waarin je van zaal naar zaal dwaalt, voortdurend getroffen door schoonheid, observaties en gedachten die je het liefst allemaal zou willen onthouden, terwijl ze je tegelijkertijd alweer ontglippen. Dat gevoel van vasthouden en verliezen vormt misschien wel de kern van mijn leeservaring. Ik werd nieuwsgierig. Ik wilde meer weten over de straten, salons, kerken, schilderijen en landschappen die Proust beschrijft. Het liefst zou ik onmiddellijk naar Parijs vertrekken om alle plekken op te zoeken, om de wereld van Proust tastbaar te maken, alle schilderijen te bekijken die hij beschrijft. Tegelijkertijd gebeurde er iets merkwaardigs: zodra ik verder las, vervaagden de details van de vorige pagina alweer en soms zelfs zinnen. Het was heerlijk om mee te deinen in de mijmeringen en die nieuwsgierigheid te voelen om vervolgens net zo snel weer los te laten en meegenomen te worden naar de volgende gedachtengang. Het deed me denken aan een bezoek aan een groot museum. Je staat voor een schilderij en bent volledig betoverd. Je leest de toelichting, ontdekt verbanden, ziet details die je eerst ontgingen. Dan loop je naar het volgende werk en merk je dat een groot deel van die informatie alweer verdwenen is. Wat blijft, is niet de feitelijke kennis, maar de indruk, de sfeer, het gevoel dat het kunstwerk heeft achtergelaten. Zo werkt ook Prousts proza. Toch is het opvallend hoe moeilijk het soms is om grip te krijgen op de tijd in dit boek. Tijdens het lezen wist ik vaak niet precies hoe oud de verteller was, hoeveel tijd er verstreek of zelfs waar bepaalde scènes zich exact afspeelden. Alleen het middelste gedeelte, waarin Charles Swann en zijn obsessieve liefde voor Odette centraal staan, voelt duidelijk omlijst. Dat maakt het voor mij gemakkelijker om te lezen. Maar misschien is juist die ongrijpbaarheid een van de grote kwaliteiten van het boek. Het geeft de roman iets dromerigs en romantisch. Je wordt meegenomen in een bewustzijn. De verteller lijkt zich te bewegen door de tijd geleid door herinneringen, associaties en gevoelens. Verleden en heden vloeien voortdurend in elkaar over. Prousts stijl is beroemd en berucht tegelijk. Zijn zinnen zijn lang, kronkelend en vol zijpaden. Regelmatig beslaat één enkele zin een halve pagina of meer. Net zoals gedachten zich ontwikkelen. “En vanaf dat ogenblik hoefde ik geen stap meer te verzetten, de grond liep voor mij die tuin in waar al zo lang alles wat ik deed niet meer met bewuste aandacht gepaard ging: de Gewoonte had mij in haar armen genomen en droeg me naar bed als een klein kind.” Een herinnering roept een andere herinnering op. Een observatie leidt naar een vergelijking met een schilderij. Een gezicht doet denken aan een kerk, een landschap aan een muziekstuk. Wild en door elkaar, van het een over naar het ander zonder een duidelijke overgang en geleid door gevoel. Proust laat je deze bewegingen volgen om te ervaren hoe het denken verloopt. Dat maakt het ook heerlijk om mee te mijmeren met dit boek. De vele voetnoten in Nederlandse uitgaven versterken dat gevoel nog verder. Ze openen voortdurend nieuwe deuren naar kunstenaars, componisten, schrijvers en historische figuren uit de Franse cultuur van de negentiende eeuw. Wie nieuwsgierig is, kan eindeloos blijven dwalen tussen de tekst en de toelichtingen. Wat ‘De kant van Swann’ uiteindelijk zo bijzonder maakt, is dat het een boek is over de ervaring van tijd zonder dat tijd ooit een eenvoudig meetbaar gegeven wordt. Klokken, kalenders en leeftijden zijn minder belangrijk dan herinneringen en gevoelens. Proust laat zien dat de tijd die wij werkelijk beleven niet chronologisch is. Een geur, een smaak of een geluid kan een verleden oproepen dat plotseling even levend wordt als het heden. Ondertussen komen ook de grote onderwerpen van het leven voorbij, van ziekte en eenzaamheid, tot liefde en leven, gelijkheid en vriendschap, verlangen en wanhoop. Zo is het verlangen van Swann naar zijn geliefde ongeëvenaard. De verliefdheid is beschreven tot in de kleinste details door de gedachtengang en het gedrag van Swann op de voet te kunnen volgen. Met de mooiste symboliek en krachtige bewoordingen van de kleinste details. “Maar zie, het verflauwen van zijn liefde ging samen met het verflauwen van de behoefte om verliefd te blijven.” Ook het verlangen van de jonge verteller naar Gilberte, de dochter van Swann, is fantastisch. De landschapsbeschrijvingen, de dromen van de verteller over plaatsen waar hij ooit nog naartoe wil en de wandelingen die de familie maakt met de vrienden en bekenden uit het kleine dorp. “Wat heeft het eigenlijk te betekenen; is de ene mens niet evenveel waard als de andere? Wat doet het ertoe of iemand hertog is of koetsier, als hij maar verstand en gevoel heeft.” Alles wordt tot in detail beschreven. En op geen enkel ogenblik wordt het een plastische beschrijving omdat de herinnering, het gevoel en de zintuigen leiden. Het komt tot leven. Er ontstaat een sfeer, een ritme, een manier van kijken naar tijd en herinnering. En misschien is dat precies wat Proust wilde bereiken: niet dat we alles onthouden, maar dat we even anders leren kijken naar wat we vergeten. Hij neemt de tijd voor de kleinste details en kan pagina’s lang beschrijven hoe de verteller als jonge jongen verlangt naar een nachtzoen van zijn moeder en met zichzelf beargumenteert waarom hij deze wel of juist niet moet gaan halen en wat de consequenties zijn. “Wat ik nu wilde, dat was mama, dat was haar een nachtkus geven, ik was de weg naar de vervulling van die wens al te ver opgegaan om nog terug te kunnen.” Veel details verdwijnen weer uit je geheugen. Namen vervagen, verwijzingen raken verloren. Maar wat blijft, is de ervaring van het lezen zelf: het gevoel van verwondering, van schoonheid, van langzaam dwalen door een wereld die tegelijk concreet en ongrijpbaar is. “Ik was alleen benieuwd, ik was er alleen op uit, te leren kennen wat ik als echter beschouwde dan mijzelf, wat voor mij de waarde had dat het mij iets van de gedachten van een groots genie liet zien, of van de kracht of de gratie van de natuur zoals die zich, aan zichzelf overgelaten, zonder tussenkomst van mensen, openbaart.” Het boek roept tegengestelde emoties op bij mensen en ook bij mij. Het is een boek, net als de rest van de serie, waar je wel even in bezig bent. Het leest niet snel. En de ene dag gaat het mij gemakkelijk af en zit ik echt in het verhaal, verlies ik mij in de kleine details en de nieuwsgierigheid die ontstaat naar het leven in die tijd en wat er allemaal nog gaat komen in zijn jonge leven. De andere keer kom ik er niet doorheen en ben ik iedere twee zinnen afgeleid. Niet voor niets beschrijft Haruki Murakami in 1q84 dat deze zevendelige serie het beste kan worden gelezen in gevangenschap of ten tijde van eenzame opsluiting. Dus neem de tijd, heb geduld en lees rustig en bewust. Het is namelijk niet per se een boek dat je een tweede keer wil lezen. En tegelijkertijd zitten er zulke wonderbaarlijke en krachtige beschrijvingen van objecten, natuur en mensen in dat het betoverend is en ook de wijsheden mogen niet uitblijven. En terwijl ik de recensie van Tzum lees over ‘De kant van Swann’ krijg ik toch de neiging om deze serie later in mijn leven nog eens op te pakken. Ik heb ondanks de rust en de tijd die ik ervoor genomen heb over fantastische stukken heen gelezen. En zo ben ook ik bedwelmd door de romantiek van Proust. Wie weet, ooit… “Hij kon niet verder doordenken over dat idee, want op dat ogenblik werd door een aanval van geestelijke luiheid, een aangeboren eigenschap die bij vlagen en als geroepen optrad, alle helderheid in zijn brein gedoofd, zo abrupt als, later, toen er overal elektrische verlichting was aangelegd, de elektriciteit in een huis kon worden uitgeschakeld.” De kant van Swann van Marcel Proust, vertaald door Thérèse Cornips en Anneke Brassinga en uitgegeven door De Bezige Bij in 2018. Ben je nieuwsgierig geworden? Dit boek kan je onder andere bestellen via deze link.
0 Opmerkingen
Maar ik weet wel dat ik al die jaren heb verdaan met het zoeken naar iets, een soort trofee die ik alleen maar zou krijgen als ik echt, echt genoeg deed om hem te verdienen. Maar ik hoef hem niet meer, ik heb nu behoefte aan iets anders, iets van warmte en geborgenheid, iets waar ik terecht kan, ongeacht wat ik doe, ongeacht wie ik word. Het is iedere keer weer genieten om een boek van Kazuo Ishiguro te lezen. Ook ‘Toen wij wezen waren’ voldoet weer aan de hoge verwachtingen die hij voor zichzelf heeft neergezet met de voorgaande boeken. Het is in 2000 gepubliceerd en in hetzelfde jaar vertaald door Marijke Versluys. Het is een boek dat zich in het begin voordoet als een simpel detectiveverhaal, maar al snel duikt Ishiguro de diepte in en raakt het geheugen, de illusie van zelfkennis, familiedynamiek en het gemis van ouders en wederom de tragiek van menselijk plichtsbesef. De hoofdpersoon, Christopher Banks, is een Britse privédetective die in de jaren dertig van de vorige eeuw naam heeft gemaakt in Londen. Maar Banks draagt een jeugdtrauma met zich mee: als kind groeide hij op in het koloniale Shanghai, waar zijn ouders onder mysterieuze omstandigheden verdwenen. Jaren later keert hij terug om die verdwijning te ontrafelen. Hij volgt wonderlijke lijnen en subtiele hints tot hij steeds meer duidelijkheid krijgt over de verdwijning van zijn ouders. Reflecteert op zijn rol als ouder van een onder zijn zorg genomen dochter. Wat volgt is een zoektocht die zich afspeelt op het snijvlak van rede en waan, en waarin je als lezer voortdurend moet afwegen wat werkelijk is en wat slechts voortkomt uit Banks’ eigen en mogelijk verstoorde herinneringen. “Ik zie het. Het is er nog, het wachten onder de oppervlakte. De wereld heeft je niet zo drastisch veranderd als je denkt, lieve kind. Hij heeft je een schok bezorgd, meer niet. En tussen twee haakjes, ik verzeker je dat er heus nog wel een paar fatsoenlijke mannen op de wereld rondlopen. Je moet alleen ophouden met je uiterste best doen ze uit de weg te gaan.” Zoals in zoveel van Ishiguro’s romans is de verteller tegelijk betrouwbaar en onbetrouwbaar. Banks vertelt zijn verhaal met de zelfverzekerde precisie van een man die gewend is de wereld te observeren en te ordenen, maar gaandeweg blijkt dat zijn waarnemingen gekleurd zijn door verdringing, illusie en schuldgevoel tot zijn eigen schrik. Ishiguro speelt dit spel meesterlijk. Je blijft zoeken naar die verborgen waarheid, emotionele catastrofe en herinnering die de verteller zelf niet durft onder ogen te zien. Alsof je zelf een privé-detective bent lees je om het antwoord te vinden. Ishiguro’s schrijfstijl draagt het verhaal met een meesterlijke lichtheid. Zijn zinnen zijn ogenschijnlijk eenvoudig, maar vol suggestie. Elk detail klopt; de toon, de dialogen, de cadans. Er staat geen woord te veel. En juist in die beheersing schuilt de emotionele kracht. Zoals bij ‘De rest van de dag’ voel je als lezer de onderdrukte emoties onder het oppervlak kolken, zonder dat ze ooit expliciet worden uitgesproken. De stijl van Ishiguro is wederom feilloos: precies, beheerst, met een ondertoon van melancholie en ironie. De beschrijving van Christopher Banks’ manier van spreken en denken doet sterk denken aan Stevens, de butler uit ‘De rest van de dag’. Beiden zijn mannen die leven volgens een strikt moreel kompas, die hun emoties hebben ingeslikt omwille van plicht en waardigheid, en die daardoor langzaam vervreemden van zichzelf. De vergelijking dringt zich voortdurend op: waar Stevens zijn leven wijdt aan dienstbaarheid, offert Banks zich op aan zijn missie als detective. “Ik was er natuurlijk altijd al van doordrongen dat het met wortel en tak uitroeien van het kwaad in zijn meest ongrijpbare vormen, vaak net op het moment dat het ongestraft dreigt te blijven, een belangrijke en gewichtige taak is.” Beiden zijn zonderlingen die net buiten de samenleving staan, of zich er op z’n minst bewust van afkeren. Toch is ‘Toen wij wezen waren’ geen herhaling van zetten. De zoektocht naar de verdwenen ouders wordt een symbool voor het verlangen naar betekenis, naar een oorsprong die verloren is gegaan speelt een belangrijke rol in dit boek. Wat mij daarin raakt is hoeveel verantwoordelijkheid, beheersing en fatsoen er al spreekt uit Banks als spelend kind. Met zijn Japanse vriend die meer durft en wat wilder is, vraagt Banks zich steeds af wat zijn rol is en wat het effect van zijn gedrag is. “Wij kinderen, zei hij, waren als het koord dat de latjes bijeen hield. Dat had een Japanse monnik hem verteld. We beseften het vaak niet, maar wij kinderen hielden niet alleen een gezin maar de hele wereld bij elkaar. Als wij onze rol niet naar behoren vervulden, zouden de latjes her en der op de grond vallen.” Ishiguro brengt nauwkeurig Shanghai ten tijden van de opiumoorlog, op de rand van de afgrond, in beeld. de groeiende spanningen tussen China en Japan, het dreigende wereldconflict, alles vormt een achtergrond van chaos en desintegratie. Toch blijft Ishiguro’s proza ingehouden en kalm. De beschrijvingen van Londen en Shanghai zijn rijk maar nooit overdadig. Zo blijft het op de achtergrond en is het slechts de gedoemde achtergrond van Banks’ herinneringen. Ook in ‘Toen wij wezen waren’ staat de zoektocht naar identiteit centraal. Het is een onderwerp wat in meerdere boeken van Ishiguro terug blijft komen. Het lijkt wel alsof karakters van Ishiguro gevangen zitten in hun eigen fatsoen en zelfopgelegde normen en waarden waar bijna niet naar te leven valt. Ishiguro laat zien hoe herinnering en identiteit voortdurend met elkaar in botsing komen: wie we denken te zijn, en wie we werkelijk waren, lopen zelden parallel. Langzaam verandert het detective verhaal in een existentiële zoektocht. “Als ik oud ben, wil ik niet op mijn leven terugkijken en leegte zien. Ik wil iets zien waar ik trots op kan zijn.” Het mysterie dat Banks probeert op te lossen, is niet alleen extern, maar vooral intern. Naast de zoektocht naar identiteit komt ook eenzaamheid terug in dit boek. De vervreemding waardoor de identiteit zich in een soort wolk hult, leidt tevens tot eenzaamheid en terughoudendheid in relaties. Het is mooi om te lezen hoe Ishiguro ook deze reflectie en ontwikkeling door het boek meeneemt. Zonder er een zoetsappig verhaal van te maken, geeft Ishiguro Banks de mogelijkheid om op ongekende wijze te reflecteren op de ontwikkeling van relaties met de mensen om hem heen. “We moeten ophouden met zo te denken. Anders is er voor geen van ons beiden iets over, alleen nog meer van wat we jaren lang al hebben. Alleen nog meer eenzaamheid, nog meer dagen dat er in ons leven niets anders is dan iets onbestemd dat tegen ons zegt dat we nog niet genoeg gedaan hebben. Dat moeten we nu allemaal de rug toekeren.” Het is een heerlijke reis om Ishiguro te lezen. Het magische wat verborgen ligt in de nauwkeurige en gedetailleerde taal waarin alles precies lijkt te kloppen, geheel in stijl met de karakters die hij beschrijft is fenomenaal en bewonderenswaardig. Het is een ingetogen zoektocht naar de oorsprong van identiteit in familie en afkomst in de roerige en gespannen context van Shanghai. Wederom een absolute aanrader. Toen wij wezen waren van Kazuo Ishiguro, vertaald door Marijke Versluys en uitgegeven door Atlas in 2000. Ben je nieuwsgierig geworden? Dit boek kan je onder andere bestellen via deze link. Dit boek staat vol met goede voornemens die uitlopen op ineenstorting en wanhoop. Het lezen van ‘De dagboeken 1950-1962’ van Sylvia Plath is als een langdurig verblijf in haar hoofd: intens, rusteloos, briljant en soms pijnlijk dichtbij. Het is echter een dergelijke afspiegeling van een leven in ontwikkeling wat een onnatuurlijk einde nadert, dat het toch sneller en gemakkelijker leest dan ik verwacht had. ‘De dagboeken 1950-1962’ zijn gepubliceerd door de Arbeiderspers in de serie Privé domein in 2005 met de keuze en vertaling van Nelleke van Maaren. In 2000 zijn de dagboeken vrijgegeven. Wat deze dagboeken zo bijzonder maakt, is niet alleen dat ze een inkijk geven in het leven van een jonge vrouw die later zou uitgroeien tot een van de belangrijkste stemmen van de twintigste-eeuwse literatuur, maar vooral hoe naadloos haar dagelijks bestaan en haar schrijverschap in elkaar grijpen. “Wat heb ik veel van het leven leren kennen: liefde, de illusie, waanzin, haat, moorddadige passies.” Vanaf het voorwoord wordt duidelijk dat deze dagboeken gelezen moeten worden als meer dan biografisch document. Ze tonen Plath in haar meest alledaagse, kwetsbare en tegelijkertijd compromisloze vorm. Van haar jonge jaren in 1950 toen ze 17 was tot vlak aan haar dood in 1962 toen ze 30 was volg je Plath in dit boek. Ze is jong maar haar intellectuele honger en zelfkritiek zijn die van een doorgewinterde schrijver. Ze neemt zichzelf en haar ambities uiterst serieus, soms tot het genadeloze af. “Maar god, ik wil alleen maar met iedereen kunnen praten, zo diepgaand mogelijk. Ik wil in het open veld kunnen slapen, naar het westen trekken, ’s nachts rustig op straat lopen…” Falen is voor haar nooit vrijblijvend; het raakt direct aan haar bestaansrecht. Tegelijkertijd is er een ontembare drang om groots te leven, groots te schrijven, groots lief te hebben. “Er zijn momenten dat ik word overvallen door een gevoel van verwachting, alsof er iets vlak onder het oppervlak van mijn denken ligt te wachten totdat ik het oppak. Het is hetzelfde hunkerende gevoel als wanneer een naam je bijna te binnen schiet, maar je hem niet te pakken kunt krijgen.” Die correlatie tussen het leven en het schrijven vormt de ruggengraat van deze dagboeken. Alles wat Plath ervaart, lijkt onmiddellijk te worden getoetst aan taal. “Maar als ik wil uitdrukken wat ik ben, moet ik een maatstaf voor het leven hebben, een uitgangspunt, een methode - om een zekere tijdelijke ordening in mijn erbarmelijke kleine persoonlijke chaosje te brengen.” Ze leeft niet alleen; ze observeert zichzelf terwijl ze leeft. Dat maakt haar dagboeken soms vermoeiend intens, maar juist ook uitzonderlijk rijk. Het geeft tegelijkertijd een ongekend inzicht in de intensiteit van haar schrijverschap en haar toewijding aan taal. Zo onderzoekt ze in haar dagboek hoe een ogenschijnlijk mooi geschreven zin tot in de kleinste details ontleed wordt en herschreven, keer op keer, totdat elk woord exact het juiste gewicht heeft en precies dat uitdrukt wat voor haar belangrijk is. “De wind heeft een warme, gele maan boven de zee geblazen; een knol van een maan die in de aardachtige indigohemel is opgekomen en heldere, twinkelende bloemblaadjes van licht over het huiverende zwarte water strooit.” Het is een fascinerend moment, omdat het laat zien hoe weinig romantisch haar schrijverschap eigenlijk is ondanks de prachtige bewoordingen die eruit komen en toch het romantische idee oproepen. Inspiratie is bij Plath geen mystiek toeval, maar een meedogenloos, fijnmazig proces van denken, schrappen, herformuleren en opnieuw beginnen. Elk detail moet kloppen, elke nuance moet resoneren. “Een tijdlang werd ik in slaap gesust in de armen van blind optimisme met borsten vol champagne en tepels van kaviaar. Ik dacht dat dat het ware was en dat het ware het schone was.” We leren haar jong kennen, in haar tienerjaren. Ze zoekt naar liefde, geluk, succes en probeert zich door haar innerlijke strijd en leven heen te slaan. En vanaf het begin is ze scherp, analytisch en weldoordacht. Zo schrijft over de man die ze in de toekomst naast zich ziet. Het is geen romantisch dromerig lijstje, maar een bijna contractuele analyse van wat zij verlangt en wat zij bereid is daarvoor op te geven. Ze stelt voorwaarden, maar onderzoekt net zo scherp wat die voorwaarden van háár vragen. Welke delen van zichzelf moet ze temperen, openen of juist loslaten om ruimte te maken voor een partner. Het is een confronterende, eerlijke en verrassend moderne reflectie op liefde en autonomie. Plath weigert de rol van de zichzelf wegcijferende vrouw, maar erkent tegelijkertijd dat intimiteit altijd een vorm van risico en zelfverlies inhoudt. “Wat ik wilde was iemand wiens innerlijk me ook naakt in de Sahara volkomen gelukkig zou maken: naar lichaam en ziel sterk en liefdevol. Eenvoudig en taai.” Toch eenmaal haar ware liefde gevonden is haar lyriek doorspekt van dromerige romantiek. “Hij kalmeert de oceaan van mijn leven, overstroomt hem met de diepe, rijke kleuren van zijn geest en zijn liefde en de voortdurende verbijstering over hoe volmaakt hij is: alsof ik eindelijk uit het dood tij een god had opgeroepen die met zijn glanzende speer verschijnt, met schelpen en vreemde vissen in zijn kielzog, en de wereld achter zich aantrekt: voor mijn aardegodin, hij de zon, de zee, de zwarte complementaire kracht: yang tot yin.” En het leuke is dat haar twijfel zowel in de diepgaande analyses, de zoektochten die ze heeft aan het einde van haar leven, de tegenslagen en hoogtepunten terugkomt, maar ook in de kleine dingen van het leven, de ogenschijnlijke futiliteiten. Bijvoorbeeld de obsessie met haar haar. Ze heeft een vaag, haast ongrijpbaar beeld van hoe ze eruit zou willen zien, maar weet dat nooit precies te formuleren. Het gevolg: kappersafspraken die uit angst worden afgezegd of eindigen in teleurstelling en emotionele ontreddering. Het is een voorbeeld dat bijna pijnlijk treffend laat zien hoe haar innerlijke wereld werkt. “Waarom kan ik niet verschillende levens proberen, zoals jurken, om te kijken welke het beste past en het best staat?” Het verlangen is groot, de voorstelling intens, maar de werkelijkheid kan dat ideaal nooit volledig dragen. Wat deze dagboeken misschien wel het meest indrukwekkend maakt, is het besef hoe uitzonderlijk intelligent Plath was. Nog voor haar dertigste beweegt ze zich moeiteloos door een web van mythologie, literatuur, etymologie en filosofie. Ze legt verbanden tussen woorden en betekenissen, tussen klassieke mythen en persoonlijke ervaringen, en smeedt die vervolgens om tot poëzie en proza. Haar denken is complex, gelaagd en razendsnel. “Schrijven maakt me tot een kleine god: in kleine, overzichtelijke woordpatronen herschep ik de steeds stromende, beukende wereld.” Soms lees ik een passage en vraag ik me af hoe iemand zó jong al zo diepgravend kan reflecteren op identiteit, taal en kunst. Ik ben tijdens het lezen in ieder geval ontzettend onder de indruk. Toch zijn deze dagboeken geen aaneenschakeling van briljante ingevingen. Juist de momenten van twijfel, frustratie en zelfhaat maken het boek menselijk en aangrijpend. Plath is meedogenloos eerlijk over haar angsten, haar jaloezie, haar woede en haar onzekerheden. Ze vergelijkt zichzelf voortdurend met anderen, vreest middelmatigheid en voelt zich opgesloten tussen maatschappelijke verwachtingen en haar eigen torenhoge ambities. “Ik moet de kloof tussen jeugdige glitter en rijpe glans overbruggen.” Het is een last die zwaar op haar drukt en met het verlies van haar liefde uiteindelijk haar te zwaar wordt. “Het misverstand van ons bestaan: het idee dat we eeuwig en altijd gelukkig kunnen zijn met een gegeven situatie of een reeks prestaties.” Binnen de Privé domein-reeks krijgen deze dagboeken extra betekenis. Ze passen perfect in een traditie van schrijvers die zichzelf niet sparen en hun innerlijk leven zonder filter blootleggen. Maar Plath onderscheidt zich door de intensiteit waarmee ze taal inzet als overlevingsmechanisme. Schrijven is voor haar geen reflectie achteraf; het is een manier om grip te krijgen op een werkelijkheid die anders dreigt te ontsporen. “Daar zit ik dan, een bundel toekomstdromen en herinneringen aan het verleden, vervat in een redelijk aantrekkelijke hoeveelheid vlees. Ik herinner me wat dat vlees heeft meegemaakt; ik droom van wat het misschien zal meemaken.” Het is absoluut niet altijd een eenvoudig en comfortabel boek om te lezen. Het vraagt aandacht, concentratie en emotionele bereidheid van de lezer. De worsteling van Plath komt nadrukkelijk naar voren in het boek. Gelukkig zet ze daar zelf ook de mooie dingen van het leven heel beeldend en gevoelig tegenover. Wanneer je je overgeeft aan dit boek, word je beloond met een ongekend intiem portret van een jonge vrouw die haar leven en haar kunst met elkaar verstrengelt tot ze niet meer van elkaar te scheiden zijn. Dit boek laat zien dat haar latere werk geen plotselinge eruptie van genialiteit was, maar het resultaat van jarenlange toewijding, zelfonderzoek en taalkundige precisie. Het maakt mij ontzettend nieuwsgierig naar meer van Sylvia Plath! “Op een dag zal misschien plotseling de openbaring mij ten deel vallen en zal ik de andere kant van deze enorme groteske grap zien. En dan zal ik lachen. Dan zal ik weten wat het leven is.” De dagboeken 1950-1962 van Sylvia Plath, vertaald door Nelleke van Maaren en uitgegeven door De Arbeiderspers in 2005. Ben je nieuwsgierig geworden? Dit boek kan je onder andere bestellen via deze link. Dat woorden iets konden bewerkstelligen, dat ze iemand in beweging konden zetten of tegenhouden, aan het lachen of het huilen konden maken: als kind had hij dat al een groot raadsel gevonden en het was altijd indruk op hem blijven maken. Filosoof Peter Bieri schrijft onder de naam Pascal Mercier het legendarische boek ‘Nachttrein naar Lissabon’. Het is een klassieker geworden en Mercier heeft hier zijn naam als schrijver mee gevestigd. De uit Bern afkomstige schrijver brengt in 2004 het boek uit en door Gerda Meijerink vertaald komt het boek in 2006 in het Nederlands uit. Het is het ultieme boek over zelfkennis en vrijheid met filosofische overpeinzingen. Ondertussen wordt je ondergedompeld in het verhaal van leraar klassieke talen Raimund Gregorius die uit zijn gewoonten en vaste leven stapt op zoek naar avontuur. “De op een droom gelijkende, pathetische wens nog een keer op dat punt in mijn leven te staan en een heel andere richting in te slaan dan de richting die van mij heeft gemaakt wie ik nu ben.” Één ontmoeting kan alles veranderen. Raimund Gregorius is een man van vaste gewoonten. Hij geeft les in oude talen op het college waar hij zelf ooit gezeten heeft en leeft voor woorden. Routine en vastigheid kenmerkt zijn leven terwijl hij over bekende wegen en pleinen wandelt. Dan ontmoet hij een Portugese vrouw. Na haar verdwijning blijft hij achter met slechts een paar Portugese woorden, die als een echo in zijn gedachten blijven hangen. Hij wandelt een boekwinkel binnen en vindt daar een tweedehands exemplaar van het boek van Amadeu de Prado, een Portugese arts en dichter. De woorden in dat boek raken hem diep. “Het is een vergissing te denken dat in een leven de beslissende momenten waarop de vertrouwde richting voor altijd verandert, vol luide en felle dramatiek moet zijn en gepaard gaat met hevige gemoedsaandoeningen.” Zo diep dat hij zonder enige voorbereiding zijn werk en leven in Bern achterlaat, een trein neemt en vertrekt naar Lissabon. Op zoek naar de man achter de woorden. Eenmaal in Lissabon raakt hij in de ban van het leven van de schrijver van het boek, ontmoet hij de mensen die Amadeu gekend hebben en ontwart hij langzaam het leven van Amadeu, maakt hij nieuwe vrienden en brengt bij hen herinneringen aan vervlogen tijden naar boven. Zo ontvouwt zich het portret van een uitzonderlijke man die leefde tijdens de Portugese dictatuur van Salazar. “Mijn geheugen raakt oververhit, ik ben ademloos bezig de vluchtige beelden van de gebeurtenissen achteraf om te zetten in de illusie van iets begrijpelijk. Telkens kom ik te laat, hoe snel het licht van de oplettendheid ook achter de dingen aan snelt. Altijd is alles al voorbij.” Het is een filosofisch portret van een man wat langzaam vorm krijgt waarin de bewoordingen van Amadeu en Gregorius zich met elkaar verbinden. Amadeu blijkt een man vol tegenstrijdigheden: begaafd en charmant, maar ook getormenteerd door morele twijfel. Hij hielp mensen, maar schreef tegelijk vlijmscherpe teksten tegen de hypocrisie van zijn tijd. Zijn innerlijke strijd tussen rede en gevoel, tussen handelen en denken, vormt een spiegel voor Gregorius, die op zijn beurt worstelt met zijn eigen inertie. Terwijl Gregorius zich verdiept in het leven van Amadeu, krijgt hij langzaam zicht op de pracht van een ander leven en tegelijkertijd zijn eigen verlorenheid. Mercier schrijft symbolisch, traag, zorgvuldig en met bijna hypnotiserende precisie. “De tijd stond stil en de wereld stond stil en dat was omdat zijn wil stilstond zoals die nog nooit had stilgestaan.” Niet voor niets speelt taal zelf een centrale rol in het verhaal: Gregorius is leraar in Latijn, Grieks en Hebreeuws; dode talen, waarin hij zich veilig waant. Maar in het Portugees, een levende, vurige taal, vindt hij een nieuwe resonantie, een nieuw leven. “Hoe kunnen we gelukkig zijn zonder nieuwsgierigheid, zonder vragen, twijfelen en argumenten? Zonder plezier in het denken?” De filosofie van Mercier vindt ook nadrukkelijk een plek in het verhaal. De vertaalde passages uit Amadeu’s boek zijn van een filosofische schoonheid die doet denken aan de introspectieve fragmenten van Fernando Pessoa. Het is een weerspiegeling van levenswijsheid waar Gregorius zijn weg in probeert te vinden. Het is een reflectie op identiteit, vrijheid en de betekenis van herinnering. “Wat kon, wat moest je beginnen met de tijd die voor ons lag, open en nog zonder vorm, vederlicht in haar vrijheid en loodzwaar in haar ongewisheid?” Het boek stelt de vraag wat het betekent om werkelijk te leven, om niet slechts een rol te spelen, maar te handelen vanuit innerlijke noodzaak, een ongekende gevoelde motivatie. Mercier daagt je uit om niet alleen te volgen, maar te overwegen. De gedachten die Gregorius heeft over vriendschap, vergankelijkheid en de vergetelheid van de tijd zijn herkenbaar en troostend tegelijk. Tegelijkertijd schuilt er iets tragisch in Gregorius’ reis. Zijn vertrek naar Lissabon is geen bevrijding in de letterlijke zin, maar eerder een confrontatie met zijn eigen onvervulde leven. ‘Nachttrein naar Lissabon’ toont hoe de levens van anderen spiegels kunnen zijn waarin we onszelf ontdekken. Het boek is doordrenkt van een zachte, menselijke melancholie — een besef dat we allemaal reizigers zijn, zoekend naar betekenis, zelfs wanneer de antwoorden zich blijven onttrekken. Wat mij persoonlijk het meest trof aan Nachttrein naar Lissabon is de moed van stilstand. In een tijd waarin alles draait om vooruitgang en actie, laat Gregorius juist zien wat het betekent om stil te staan en te luisteren. “Waarom eigenlijk is de open blik zo moeilijk? Wij zijn trage wezens die behoefte hebben aan vertrouwdheid. Nieuwsgierigheid als zeldzame luxe op vertrouwd terrein. Vaststaan en toch te kunnen spelen met wat open is, elk moment, alsof het een kunst is.” Zijn beslissing om zijn oude leven achter te laten is niet heroïsch, maar menselijk: een wanhopige poging om zichzelf terug te vinden in de echo van een ander. Zo nu en dan vond ik het boek langdradig en ging het verhaal traag. Toch maakt de traagheid de zoektocht ook compleet, het hoort in dit boek zo te zijn. Je kunt Nachttrein naar Lissabon niet haastig lezen. Je moet je overgeven aan het ritme van de gedachten, aan de cadans van de zinnen. “Ik wil niet in een wereld zonder kathedralen leven. Ik heb een schoonheid en verhevenheid nodig. Ik heb ze nodig als verzet tegen de platvloersheid van de wereld. Ik wil opkijken naar de stralende kerkramen en me laten verblinden door hun bovenaardse kleuren. Ik heb hun glans nodig.” Ik vond het een fijn boek om te lezen, een zoektocht naar het leven buiten de gewone ervaringen. Het is een warm verhaal waarin voortdurend het avontuur lonkt en ik benieuwd ben naar het volgende verhaal. Ik moest er even in komen, maar eenmaal aan het lezen legde ik het met moeite weg. Sommige karakters trekken en bouwen zich zorgvuldig op waardoor mijn nieuwsgierigheid blijft. Het karakter van Amadeu is complex en precies en de gelijkenissen met Gregorius komen heel langzaam naar voren zonder nadrukkelijk aanwezig te zijn. Het boek intrigeert, ontspant en houdt toch aandacht vast. De filosofische gedachten en overdenkingen zetten je aan tot reflectie zoals het ook Gregorius laat denken over zijn leven. Het is niet voor niets de doorbraak van Mercier geweest! “Sindsdien weet ik hoe mensen tot in hun diepste diepte met elkaar verweven en in elkaar aanwezig kunnen zijn zonder dat ze er ook maar het flauwste vermoeden van hebben.” Nachttrein naar Lissabon van Pascal Mercier, vertaald door Gerda Meijerink en uitgegeven door Wereldbibliotheek in 2006. Ben je nieuwsgierig geworden? Dit boek kan je onder andere bestellen via deze link. Het ongeloof biedt meer weerstand dan het geloof, doordat het steunt op de zintuigen. De Colombiaanse meester van het magisch realisme laat in ‘Over de liefde en andere duivels’ wederom zien waarom hij wordt beschouwd als één van de grootste vertelmeesters van de 20ste eeuw. Gabriel García Márquez schept de perfecte Caribische legende in dit boek met het verhaal over Sierva María de Todos los Ángeles, de twaalfjarige dochter van de markies de Casalduero en zijn vrouw Bernarda Cabrera. Het boek is uitgebracht in 1994 en in hetzelfde jaar vertaald door Adri Boon. Het boek opent met een proloog die de toon zet voor alles wat volgt. Een journalist bezoekt een klooster waar oude graven worden geopend. Wanneer het graf van een jonge markiezin wordt blootgelegd, blijkt haar schedel omkranst met een tweeëntwintig meter lange koperkleurige haarstreng. Die ontdekking roept een legende op uit de koloniale tijd en uit die legende groeit het verhaal dat Márquez vertelt. Sierva María is de onbeminde dochter van een zotte creoolse markies en een slavenhandelaarster. Ze groeit op in een huis dat aan verval ten prooi is gevallen. De markies leeft in zijn eigen wereld, teruggetrokken en melancholisch, terwijl zijn vrouw zich overgeeft aan drank, baden en klysma’s. Sierva María wordt door haar ouders verwaarloosd en groeit op tussen de Afrikaanse slaven die in het huishouden werken. Wanneer zij door een hond wordt gebeten en men vreest dat ze hondsdol is, wordt haar gedrag geïnterpreteerd als een teken van bezetenheid. Het meisje wordt opgesloten in een klooster om een duiveluitdrijving te ondergaan en ontmoet daar de liefde. “Ik heb het gevoel dat ik haar steeds minder ken naarmate ik haar beter leer kennen.” De karakters in dit boek zijn fenomenaal opgebouwd. Márquez heeft oog voor detail en weet met een vleug humor, ironie en tegelijkertijd warmte zijn personages te beschrijven. Vooral de kwaaltjes waar ze aan lijden weet hij met grote creativiteit te verwoorden en verbeelden, zoals een dubbele breuk in de balzak. Het is kenmerkend voor de hopeloosheid van zijn karakters en het ongenoegen waar ze zich in bevinden, bijvoorbeeld Bernarda: “Na de kortstondige verlichting van het antimoon laxatief, bediende Bernarda zich, tot driemaal daags aan toe, van troostrijke klysma’s om de brand in haar ingewanden te blussen of ze dompelde zich, tot zesmaal toe, in warme baden met gekleurde zepen om haar zenuwen tot bedaren te brengen.” Met dit soort groteske maar liefdevolle details tekent Márquez zijn personages. Hij heeft een scherp oog voor de menselijke zwakheid. “Er is geen medicijn dat geneest wat het geluk niet geneest.” De taal van Márquez is, zoals altijd, een feest. Elk detail lijkt zorgvuldig uitgekozen, en toch klinkt alles natuurlijk, alsof het rechtstreeks uit de mond van een verteller komt die eeuwenoude geheimen fluistert. Hij gebruikt beelden die zowel gruwelijk als poëtisch zijn, zoals de beschrijving van de arts Abrenuncio: “Het was een sombere man met verlichte ideeën en de bleekheid van een lelie, doordat vleermuizen terwijl hij sliep van zijn bloed dronken.” Deze speelse beeldspraak is typerend voor Márquez: licht absurd, maar tegelijk vol betekenis. De wereld in zijn boeken is nooit enkel realistisch. Altijd zit er een zweem van magie, van het onverklaarbare, alsof de werkelijkheid zelf bezield is. Het is die betovering die de lezer meeneemt. Márquez laat in dit boek zien hoe bijgeloof en macht samenspannen om onschuld te vernietigen. De kerk, die zegt het kwaad te willen verdrijven, blijkt even hysterisch als de ziekte die zij denkt te bestrijden, namelijk de hondsdolheid van Sierva María. Toch is het juist binnen de muren van dat klooster dat het wonder van de liefde zich voltrekt: Sierva María ontmoet de jonge pater Cayetano Delaura, die betoverd is door de aanblik van het meisje en haar redder wil zijn. “Een bezeten meisje in het klooster oefende de aantrekkingskracht van een onbekend avontuur uit.” Maar al snel valt hij zelf ten prooi aan een brand die heviger is dan elk demonisch vuur. Hun liefde is verboden, onuitgesproken en gedoemd. Maar juist daardoor krijgt ze een tijdloze kracht. Delaura droomt van haar, leest haar poëzie voor, raakt haar haar aan alsof het een relikwie is. Márquez schrijft over hun liefde met een broze intensiteit. Márquez is de koning van een mooi einde. Zijn verhalen lopen zelden goed af in conventionele zin, maar hoe hij ze weet te sluiten, maakt ze rond en levend. Over de liefde en andere duivels eindigt niet met verlossing, maar met een gevoel van voltooiing. “Haast zonder haar aan te raken, dwaalde hij over haar huid met de toppen van zijn vingers, en onderging voor de eerste keer het wonder zichzelf te voelen door het lichaam van een ander.” De liefde overwint niet de dood, maar ze verliest ook niet. Ze blijft bestaan in woorden, in herinnering, in dat wonderlijke haar dat symbool wordt van leven dat weigert te vergaan. Márquez laat zien dat het tragische pas betekenis krijgt als het een vorm van schoonheid in zich draagt. Dat is zijn gave: hij maakt verdriet draaglijk door er betekenis in te weven. Zijn personages sterven, worden vernederd, verliezen alles, maar nooit hun menselijkheid. Het is een van zijn meest melancholische, maar ook tederste verhalen. Zoals jij al opmerkte, Márquez’ verhalen lopen zelden vrolijk af, maar ze geven altijd hoop op leven. Niet in de zin van een happy end, maar als erkenning van de kracht waarmee mensen blijven verlangen, blijven dromen, blijven liefhebben, ondanks alles. Als je dit boek leest ontdek je een kleine, nieuwe wereld. Het is meer dan een verhaal wat Márquez hiermee tot leven brengt. Márquez laat zien dat zelfs het meest duistere verhaal kan glanzen als het met liefde wordt verteld. Het is de tweede keer dat ik dit boek heb gelezen en ik blijft erbij: een absolute aanrader! Over de liefde en andere duivels van Gabriel García Marquez, vertaald door Adri Boon en uitgegeven door Meulenhoff in 1994. Ben je nieuwsgierig geworden? Dit boek kan je onder andere bestellen via deze link. Ze besloot niet te piekeren over problemen, maar over oplossingen: de problemen zou ze een voor een te lijf gaan, in de volgorde waarin ze zich aanboden. ‘De stad van de wilde goden’ van Isabel Allende is een boek dat zich lastig in een genre laat vangen. Tijdens het lezen bekruipt je voortdurend het gevoel dat je twee boeken tegelijk in handen hebt: een avontuurlijke roman die bijna als een jeugdboek leest, én een geëngageerd verhaal dat grote maatschappelijke thema’s aansnijdt die vandaag de dag misschien wel urgenter zijn dan ooit. Het is het eerste deel uit een driedelige serie van Allende die ze zowel voor volwassenen als jeugd geschreven heeft en wat waarschijnlijk de hierboven genoemde tweedeling veroorzaakt. Het is gepubliceerd in 2002 en in hetzelfde jaar vertaald door Rikkie Degenaar en uitgebracht door De Wereldbibliotheek. Het boek leest als een sneltrein waarin Allende een mythische wereld schept die ons kennis laten maken met de cultuur van de Indianen in Zuid-Amerika. Als de moeder van Alexander erg ziek wordt en geopereerd moet worden, gaat hij naar zijn excentrieke oma Kate, een compromisloze journalist. Kate Cold staat bekend om haar vele reizen en neemt Alexander mee naar de jungle van Zuid-Amerika om een mythisch volk op te sporen en het grote beest dat mensen vermoord. Alexander, die rouwt om de ziekte van zijn moeder en zich ontheemd voelt, wordt zonder veel uitleg uit zijn vertrouwde wereld weggerukt en belandt in een omgeving die tegelijk betoverend en bedreigend is. “Buiten begon het nog maar net licht te worden. Hij besloot dat dit een vreselijke dag zou worden, zo’n dag dat je maar beter in bed kon blijven liggen omdat alles misging.” In de jungle ontmoet hij Nadia Santos, een mysterieus meisje dat opgegroeid is tussen de inheemse bevolking en een bijna mythische verbondenheid heeft met de natuur. Samen ontdekken ze de geheimen van de jungle en gaan ze naar de stad van de wilde goden. Op het eerste gezicht leest ‘De stad van de wilde goden’ als een klassieke avonturenroman voor de jeugdige lezer. Er zijn gevaarlijke tochten door ondoordringbaar oerwoud, geheimzinnige stammen, mythische wezens, corrupte machthebbers en een duidelijke strijd tussen goed en kwaad. De hoofdstukken zijn overzichtelijk, de spanningsboog is helder en de personages zijn duidelijk getekend. Dit alles geeft het boek een toegankelijkheid die je eerder zou verwachten bij een jeugdboek dan bij een roman van een auteur die bekendstaat om haar gelaagde, vaak politieke vertelkunst. “De jongen had het gevoel een orkaan in zich mee te dragen; soms was hij euforisch, koning van de wereld, in staat om een leeuw met zijn blote handen te bevechten, andere keren voelde hij zich maar een miezerig ventje.” Die toegankelijkheid werkt echter twee kanten op. Enerzijds maakt het boek vaart: je leest door, wil weten wat er achter de volgende bocht van de rivier schuilt, wie te vertrouwen is en wie niet. Anderzijds ontstaat er een zekere verwarring over de toon. De thema’s die Allende aansnijdt, zoals kolonialisme, uitbuiting van inheemse volkeren, ecologische vernietiging, machtsmisbruik en culturele arrogantie, zijn zwaar en complex en ontzettend relevant. De Amazone wordt niet alleen gepresenteerd als een exotisch decor, maar als een levend, ademend organisme dat wordt bedreigd door menselijke hebzucht. De expeditieleden vertegenwoordigen verschillende houdingen tegenover die natuur: wetenschappelijke nieuwsgierigheid, journalistieke sensatiezucht, militaire macht en economische belangen. De inheemse bevolking daarentegen belichaamt een andere manier van leven, waarin mens en natuur onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Allende laat zien hoe kwetsbaar deze balans is en hoe snel zij kan worden vernietigd door externe inmenging. Wat het mooie is van dit boek is dat Allende echt de diepte in gaat om de complexiteit van de omgeving en vraagstukken die spelen goed weer te geven. En ze verdiept zich in de cultuur waardoor het bijna een antropologisch epos is, maar dan verpakt in een avonturenroman. De stijl van Allende is beeldend en toegankelijk. Ze schrijft met een duidelijke liefde voor verhalen vertellen, en haar beschrijvingen van het oerwoud zijn rijk en zintuiglijk. Tegelijk ontbreekt soms de gelaagdheid die haar andere werk zo krachtig maakt. Waar magie bij Allende vaak organisch verweven is met de werkelijkheid, voelt zij hier soms als een instrument om het verhaal voort te stuwen. “Hoe ouder ik word, des te onwetender voel ik me. Alleen die jeugd heeft overal een verklaring voor.” Alexander en Nadia functioneren in dit geheel als morele spiegels. Vooral Nadia is een fascinerend personage: zij beweegt zich moeiteloos tussen werelden, spreekt meerdere talen en lijkt soms meer mythisch wezen dan mens. “Concentreer je, zoek je kracht. Haal adem. Inademen is opladen van energie, als je uitademt, raak je spanning kwijt. Denk niet na, volg je instinct.” Alexander daarentegen begint als een onzekere jongen, maar groeit gaandeweg in moed en inzicht. De voorspelbaarheid in de ontwikkeling van deze twee personages en hun relatie geeft het boek weer een jeugdboekachtig karakter. Het boek leest gemakkelijk en pakt interessante thema’s vast waar Allende veel onderzoek naar heeft gedaan om een goed beeld weer te geven in dit boek. Mijn verwachting dat het vergelijkbaar zou zijn met andere boeken van Allende klopt niet en dat kan dan ook voor wat teleurstelling zorgen. Toch is het een fijn boek om te lezen en interessant om de thema’s die Allende aansnijdt op deze manier luchtig te lezen waarbij ze niet om de ernst van de situatie heen draait. Het lijkt alsof Allende bewust kiest voor een vorm die toegankelijk is, om zo complexe thema’s onder de aandacht te brengen van een breed en jeugdig publiek. Wat het boek extra interessant maakt, is dat deze thema’s vandaag misschien nog wel relevanter zijn dan ten tijde van publicatie. Ontbossing, klimaatverandering, de positie van inheemse volkeren en de vraag wie het recht heeft om over land en grondstoffen te beschikken, zijn actueler dan ooit. Het is een heerlijke avonturenroman om het lezen weer op te pakken of om te lezen als je spanningsboog even wat kleiner is en toch de schrijfstijl van Allende wilt ervaren. Dit is het eerste deel van een driedelige serie. Alexander en Kate zijn inmiddels in Zuid-Amerika geweest en ik ben benieuwd waar de volgende reis heen gaat. De stad van de wilde goden van Isabel Allende, vertaald door Rikkie Degenaar en uitgegeven door De Wereldbibliotheek in 2002. Ben je nieuwsgierig geworden? Dit boek kan je onder andere bestellen via deze link. Hoeveel je een wolf ook voedt, hij zal altijd zijn blik gericht houden op het woud. ‘De wolven van de eeuwigheid’ is het tweede boek in de reeks van ‘De morgenster’ van Karl Ove Knausgård. Het boek is in 2021 uitgebracht en in 2024 gepubliceerd door De Geus met de Nederlandse vertaling van Martin Mars. Net als ‘De morgenster’ is dit een boek dat bewondering afdwingt door de diepgaande analyses en uiteenzettingen van diverse onderwerpen en daardoor soms ook om geduld van jou als lezer vraagt. De filosofische puzzel wordt in dit tweede deel voortgezet waarin de fundamentele aspecten van het menselijke leven en de dood een leidraad vormen. Dit boek lees je traag, soms tegenstribbelend, maar steeds met het gevoel dat er onder de oppervlakte iets groots beweegt. “De volgende ochtend werd ik wakker met een wonderlijk gevoel in mijn lichaam. Het was alsof mijn innerlijk trilde, zoals voor een beproeving. Alsof mijn lichaam iets wist wat ik niet wist.” We volgen Syvert en Alevtina in ‘De wolven van de eeuwigheid’. Na een droom over zijn overleden vader gaat Syvert op zoek in het verleden. Wat weet hij over zijn vader en waarom hangt er zo’n mysterie rondom zijn dood? Langzaam ontrafelt hij een geschiedenis waar Alevtina een centrale rol in blijkt te spelen. Ze is een biologe die worstelt met haar identiteit en zichzelf existentiële vragen stelt. Haar onderzoek naar schimmels en de natuur leidt tot diepe filosofische overpeinzingen over het leven en de dood. Syvert hebben we in het eerste deel al leren kennen. De verhaallijnen zoeken elkaar en kruizen elkaar gedurende het boek zonder geheel te verweven. De personages uit het eerste en derde deel via deze twee verhaallijnen tegen in plaats van in hun eigen verhaallijn. “Een mens is opgebouwd uit herinneringen die elkaar bevestigen, dat is wat je bent.” Wat misschien nog wel het meest verbluffend is, blijft Knausgårds vermogen om zich ogenschijnlijk moeiteloos diverse onderwerpen uiteen te zetten. Terwijl je leest, word je langs heavy metal en klassieke muziek geleid, langs religieuze vraagstukken, evolutionaire biologie en DNA-theorieën, langs filosofische beschouwingen over tijd, dood en betekenis. Het blijft verwonderlijk hoe diepgaand hij over deze thema’s kan schrijven zonder dat het aanvoelt als etaleren van kennis. Het lijkt eerder alsof zijn denken vanzelf deze breedte nodig heeft, alsof hij niet anders kan dan alles wat hij weet, leest en overweegt in zijn literatuur laten samenvloeien. Als lezer maakt dit het echter soms lastig om te volgen. Voor mij in ieder geval. Ik vind niet al deze onderwerpen even interessant en het is Knausgård eigen om hier een groot aantal pagina’s aan te weiden en later rustig in meer pagina’s de uiteenzetting verder uit te werken. Soms lijkt het verhaal even stil te staan, alsof de roman zichzelf onderbreekt om ruimte te maken voor een essay. Voor de ene lezer is dat een geschenk; voor de andere een beproeving. “Maar als je niet denkt dat je denkt, is er niets om je gedachten vast te houden, dus dan verdwijnen ze gewoon.” Het boek nodigt niet uit tot haast; het dwingt tot vertraging. Wie zich eraan overgeeft, zal merken dat de beloning niet zit in plot of spanning in klassieke zin, maar in de manier waarop gedachten zich aan elkaar hechten, hoe ideeën echoën en zich verdiepen naarmate je verder leest. “Maar ik ontdekte, en dat heb ik sindsdien vaak ervaren, dat het niet uitmaakt waar je de focus legt, waar je op inzoomt; hoe klein en begrensd het gebied ook is, het biedt altijd een opening naar iets groters.” Het is ook een duidelijk onderdeel van de drie boeken in deze serie en een aanrader om ook in de volgorde te lezen waarin ze aangeduid zijn. Dus ‘De morgenster’ als eerste deel, ‘De wolven van de eeuwigheid als tweede en als derde deel ‘Het derde rijk’. “Ik mocht niet steeds het ergste denken. Het beste kon net zo goed gebeuren.” Voor iedereen die nog blanco aan het boek Anna Karenina van Leo Tolstoj wil beginnen, is het aan te raden dit boek na Anna Karenina te lezen. In een van zijn vele uiteenzettingen geeft Knausgård namelijk een flinke spoiler weg. Voor wie deze klassieker nog ongelezen op de plank heeft staan, is dit ronduit jammer. Het voelt bijna achteloos, alsof Knausgård veronderstelt dat iedereen dit boek al gelezen heeft of dat het er simpelweg niet meer toe doet. Deze achteloosheid past echter ook bij Knausgårds houding als schrijver. Hij schrijft niet om te behagen, maar om te onderzoeken. Zijn romans lijken zich weinig aan te trekken van conventies of lezersverwachtingen. En daar komt zijn kenmerkende stijl ook in dit boek absoluut terug. “Het was meer alsof mijn gedachten naar mijn gevoelens probeerden te ontsnappen en daar deels in slaagden, in elk geval hadden ze genoeg afstand om er niet bij stil te hoeven staan en ze slechts te registreren. Ze wisten dat ze er waren. En dat het zaak was uit de buurt te blijven.” Dit alles doet hij wel in een fijne schrijfstijl die gemakkelijk te volgen is en tegelijkertijd een beeldend portret schetst van het landschap, de gevoelens en gedachten van zijn personages en de wereld waarin ieder personage voor zich leeft. Zo raakt het boek, ondanks het theoretische, nooit los van het menselijke. Onder al die beschouwingen ligt een voortdurende zoektocht naar betekenis, naar hoe individuen zich verhouden tot geschiedenis, tot kennis, tot sterfelijkheid. Het is een boek dat je dwingt om na te denken over wat literatuur kan en mag zijn. En Knausgård doet geen concessies en juist daarin schuilt zijn kracht. “Ik was niets kwijtgeraakt, want ik had het nooit gehad. Niets was zieliger dan iemand te horen praten over de reusachtige vis die hij ooit aan de haak had en die hij bijna had binnengehaald, maar op het laatste moment was kwijtgeraakt.” De wolven van de eeuwigheid is geen boek voor iedereen, en het probeert dat ook niet te zijn. Wie zich ergert aan lange theoretische passages, zal regelmatig zuchten. Wie zich daarentegen graag laat meeslepen door een schrijversbrein dat alle kanten op schiet, zal zich rijk beloond voelen. Het is wel essentieel om dit boek in het geheel van de serie te lezen. De boeken zijn ook allemaal op zichzelf staand te lezen, maar samen vormen ze een drie-eenheid die het verhaal compleet maakt. “Leven is je aanpassen, je schikken, orde aanbrengen, je talenten benutten en je beperkingen accepteren. We kunnen het leven niet kiezen, het leven kiest ons.” De wolven van de eeuwigheid van Karl Ove Knausgård, vertaald door Martin Mars en uitgegeven door De Geus in 2024. Ben je nieuwsgierig geworden? Dit boek kan je onder andere bestellen via deze link. Wanneer een onschuldige sterft als een offerlam om een ander te redden wordt de wereld er niet beter van, maar verloedert. Eduardo Mendoza is een markante Spaanse schrijver die mij heeft weten te verrassen met zijn verhalen. Stel je in op een grappig boek, dan is het een leuk boek om te lezen. Met ‘Een wonderbaarlijke reis’ weet Mendoza satire, humor en maatschappelijke observaties in een unieke context te vertalen in een lichtvoetig en tegelijkertijd diepgaand verhaal. Het boek is oorspronkelijk gepubliceerd in 2008 en in datzelfde jaar vertaald door Felicitas van Wijk- Gertenaar en Ilona van der Werff-Nieuweboer. Het is een wonderlijk verwarrend boek wat blijft verrassen. Filosoof Pomponio reist door het Romeinse rijk op zoek naar geneeskrachtig water. Onderweg komt hij aan in de stad Nazareth waar een plaatselijke timmerman ter dood veroordeeld is door verhanging aan het kruis. Als kleine Jezus Pomponio vraagt om zijn onschuldige vader van het kruis te redden, aarzelt Pomponio niet. Samen beginnen zij aan een zoektocht naar bewijzen, sporen en motieven, in een setting vol politieke intriges, religieuze belangen en verborgen geheimen. Ze struikelen van de ene ontdekking in de andere en iedere keer komt het voor Pomponio, kleine Jezus en veroordeelde Jozef toevallig zo uit dat de kruisiging uitgesteld wordt. Pomponio en kleine Jezus zetten door tot de onvoorstelbare waarheid uiteindelijk boven tafel komt. “Ik ben er altijd op tegen geweest voor kinderen te verzwijgen wat ze uiteindelijk toch van slaven, kooplui, soldaten en ander ruig volk te horen krijgen of zelfs zullen ervaren, en in dat geval kunnen ze maar beter weten welke tarieven er gehanteerd worden.” Het boek is als een grote mixtape van Bijbelse verhalen waar van alles door elkaar loopt. De ene onverwachte wending na de andere vindt plaats in het relatief korte verhaal. Tijdens de zoektocht van Pomponio en kleine Jezus belanden ze in de machtsstrijd in de lokale gemeenschap, belangen van het Romeinse gezag, en het halsstarrig en onverklaarbare zwijgen van Jozef. Door het verhaal heen weet je niet meer wie te geloven en te vertrouwen. Het is een grappig verhaal vol verwonderlijke verrassingen. Het doet mij zo nu en dan denken aan de Monty Python films. In de zoektocht van Pomponio en kleine Jezus komen ze op bijzondere plekken terecht, worden verliefd, spannen soldaten voor hun karretje en hebben immens veel geluk met toevalligheden. En deze toevalligheden geven het verhaal zo nu en dan gewoon een sneue tint wat het verhaal ook weer heel vermakelijk maakt. Mendoza gebruikt de historische setting als decor en speelt vrij met personages, motieven en ideeën. Zo wordt het verhaal een mix tussen detective, historische fictie en religieuze reflectie, gekruid met humor en ironie. Mendoza schrijft helder en toegankelijk met hier en daar een filosofische reflectie door de ogen van Pomponio. Met een speelse en lichte toon weet Mendoza het verhaal tot leven te brengen. Creatief kan hij een verrassend verhaal tevoorschijn toveren vol politieke intriges en filosofische verkenningen. We duiken onder in de verkenning van het geloof in dit boek; het geloof als kwestie van twijfel, interpretatie en vertrouwen. Ook verkent Mendoza in het boek de rechtvaardigheid te midden van politieke belangen en macht. Het beschuldigen van Jozef belichaamt lager gestelde mensen die ten onrechte worden opgeofferd in grotere politieke en maatschappelijke belangen. Het boek laat zien hoe macht, belangen en manipulatie vaak verborgen waarheden overschaduwen. Pomponio’s zoektocht is een poging om rechtvaardigheid te herstellen, of in ieder geval de waarheid zo goed mogelijk te benaderen. “Vrouwen zoals ik onderhouden alleen persoonlijke contacten en floreren bij elke conjunctuur. De tijd is onze vijand, en daar kun je je niet tegen verzetten.” Mendoza staat bekend om zijn humoristische toon in boeken en dit boek is geen uitzondering. Hij staat bekend om het combineren van absurditeit, satire, misdaad, filosofie en historische fictie. Hij gebruikt ironie en komische momenten om het zware karakter van religieuze en morele kwesties lichter te maken. De geest van parodie komt ook naar voren in de manier waarop Mendoza speelt met clichés van religieuze romans of thrillers over heilige geheimen, zonder wraakzuchtig te zijn, maar eerder speels en kritisch. Ik moest even wennen aan de invalshoek van het boek, maar eenmaal onderweg was het lastig weg te leggen omdat het zo vermakelijk leest. Het is een boek dat serieuze onderwerpen aansnijdt op een luchtige en speelse manier. Het is een grappig boek en leest ontzettend fijn. De kracht van het boek zit in de balans: de lichtheid van humor en ironie verhindert niet dat er serieuze vragen gesteld worden. De personages zijn boeiend genoeg om empathie op te wekken, en de setting is aantrekkelijk mysterieus zonder te vervallen in pure fantasie. ‘De wonderbaarlijke reis’ van Eduardo Mendoza is een intrigerende, slimme en lichtvoetige roman die historische fictie, detective-elementen en religieuze thematiek combineert die ik zeker zou aanraden als je op zoek bent naar een wat luchtiger boek. De wonderbaarlijke reis van Eduardo Mendoza, vertaald door Felicitas van Wijk-Gertenaar en Ilona van der Werff-Nieuweboer en uitgegeven door Arena in 2008. Ben je nieuwsgierig geworden? Dit boek kan je onder andere bestellen via deze link. Ze prikte een kuiltje in het zand en veegde het dicht, als om de volmaaktheid van het ogenblik erin te begraven. Het was als een druppel zilver waarin je het donker van het verleden doopte en belichtte. In de wereldliteratuur kunnen we niet om dit boek heen. ‘Naar de vuurtoren’ is een absoluut meesterwerk geheel vertaald in de kenmerkende stijl van Virginia Woolf. De in 2022 uitgebrachte vertaling van Barbara de Lange is gebaseerd op de in 1927 gepubliceerde Engelse editie van de Hogarth Press, de uitgeverij van Leonard en Virginia Woolf. Het lijkt een eenvoudige familieroman, toch weet Woolf aan de hand van de kleinste details tijd, verlies, herinnering en de ongrijpbare samenhang tussen mensen te zijn te onderzoeken. In plaats van gebeurtenissen schrijft ze over de momenten van bewustzijn, flarden van gedachten, kleine observaties die samen een geheel vormen dat groter is dan de som der delen. Centraal staat de familie Ramsay: mevrouw Ramsay, haar man en hun acht kinderen. Rond hen cirkelt een bonte verzameling gasten, kunstenaars, filosofen en vrienden. In het eerste deel val je als lezer midden in het gesprek tussen mevrouw Ramsay en haar zoon James waarin ze hem beloofd morgen naar de vuurtoren te gaan als het mooi weer is. Waarna meneer Ramsay de hoop van de kleine James in een zin wegvaagt door te zeggen dat het morgen niet kan omdat het niet mooi weer wordt. Hier schetst Woolf direct de spanning in relaties die terug blijft komen in het boek en die de kleine en grote gebeurtenissen overstemt. “Met die lofprijzingen op het licht prees ze zichzelf, zonder ijdelheid, want ze was streng, ze was onderzoekend, ze was net zo mooi als dat licht.” Het boek heeft de kenmerkende stijl van Woolf, lange zinnen die eindeloos meanderen tot een klein verhaal op zich. Ze schrijft de kleinste details op, dat wat opvalt in de kleinste dagelijkse activiteiten, zoals de gebreide sok, de tuin of de fruitschaal die op tafel staat. De kleuren, de vormen, de manier waarop het licht erover valt, hoe elk stuk fruit bijna een eigen aanwezigheid krijgt beschrijft ze met finesse. Diezelfde kracht ligt in haar beschrijvingen van het gezinsleven: de gesprekken aan tafel, de stille irritaties, de momenten van genegenheid. Ze zijn herkenbaar en intiem, maar nooit sentimenteel. De ups-and-downs van een huwelijk, de spanningen tussen ouders en kinderen, de onuitgesproken verlangens en verwachtingen, ze worden niet uitgelegd, maar ervaren. De grote gebeurtenissen in het gezin, zoals het sterven van broer Andrew, worden slechts tussen de regels kort genoemd. Dit is ook een toonbeeld van de dynamiek in het gezin waarin veel onbesproken blijft. Het is een meditatieve vorm van lezen die dit boek krachtig maken, met een vernauwde focus. Tussen de meanderende zinnen wordt de aandacht steeds verlegt van het ene personage naar het andere. Zo dein je als lezer mee op de golven van het gezin. “Hoewel ze doorging met breien en rechtop bleef zitten, voelde ze zich zo; en dat zelf, dat al zijn banden had afgeschud, kreeg nu de vrijheid voor de vreemdste avonturen.” Het is een ode aan de verbindende kracht van de vrouw in het gezin en haar eindeloze stroom aan gedachten waarvan de meeste onuitgesproken blijven. “Vanzelfsprekend kwamen ze, omdat ze een vrouw was, de hele dag met dit en met dat naar haar toe; de een wilde dit, de ander dat; de kinderen werden groot; ze had geregeld het gevoel dat ze niets anders was dan een met menselijke emoties volgezogen spons.” Al breiend observeert mevrouw Ramsay het gezin waarin ze haar gedachten laat lopen en slechts iets uitspreekt als het de dynamiek, rust en vrede in het gezin helpt. Wanneer het boek halverwege van toon verandert, en mevrouw Ramsay is gestorven, blijft haar aanwezigheid voelbaar in elke zin. Haar geest waart door het huis, leeft voort op het stoepje, in de kamers, in de herinneringen van haar kinderen en vrienden. Ze is een stille kracht die de wereld bij elkaar hield, en zelfs in haar afwezigheid bepaalt ze het ritme van het leven daar. Vriendin van de familie Lily observeert het allemaal en met een stille berusting probeert ze het geheel te vatten op haar schildersdoek. Kritisch kijkt ze naar de relatie tussen meneer en mevrouw Ramsay. “Precies in die vluchtige beweging tussen beeld en doek vielen de duivels aan die haar vaak haast in tranen brachten en die de weg van idee naar werk net zo eng maakten als de weg van een kind door een donkere gang.” Aan het eind als de familie de vuurtoren eenmaal heeft bereikt en Lily vanuit de tuin staat te kijken voelt ze dezelfde gunfactor die mevrouw Ramsay altijd aan haar man toonde. Eindelijk weet ze het schilderij af te maken met de geest van mevrouw Ramsay vervat in het doek. Het huis zelf fungeert als een personage. In het eerste deel gonst het van leven: stemmen, ruzies, spelende kinderen, het ritme van het gezinsleven. In het tweede deel, dat zich jaren later afspeelt, is het huis verlaten, vergaan, in verval. De wind jaagt door de kamers, spinnen hebben hun webben gespannen, en de stilte is bijna tastbaar. Woolf gebruikt het huis als metafoor voor de familie en voor de menselijke geest. Het rammelt en is in verweer, maar het staat ook voor de illusie van continuïteit. Wanneer het later wordt opgeknapt, met de pretentie weer als vroeger te zijn, weet de lezer dat dat niet kan. De tijd heeft zijn werk gedaan. Alles lijkt hetzelfde, maar niets is meer wat het was. “Zonder blad om mee te wuiven lag de lente, naakt stralend als een maagd, verschrikkelijk in haar kuisheid en minachtend in zuiverheid, uitgestrekt over de velden, onschuldig en waakzaam en onbekommerd om wat de toeschouwers deden of dachten.” De ware motor van het boek is de stroom van gedachten, gevoelens en herinneringen die door de personages heen beweegt. Wat ‘Naar de vuurtoren’ zo bijzonder maakt, is de toon. “Al dat zijn en dat doen, dat uitbundige, schitterende, luidruchtige, vervloog; en met een plechtig gevoel verschrompelde je tot je eigen zijn, een wigvormige donkere kern, onzichtbaar voor anderen.” Er hangt een zachte melancholie over het geheel, een triestheid die niet zwaar is maar juist teder. Zoals jij ook beschreef: aan het eind blijft er een gevoel van verdriet, van iets dat voorbij is, maar tegelijk ook van schoonheid. “Het was alsof het water wegstroomde en gedachten vaart gaf die op het vasteland stagneerden, alsof het hun lichaam zelfs een zekere fysieke verlichting verleende. Eerst werd de baai door een kleurenvloed met blauw overspoeld, en tegelijk daarmee verruimde het hart en zwom het lichaam, om even later te worden geremd en verkild door het prikkende zwart op de woelige golven.” Centraal staat natuurlijk de vuurtoren uit de titel. De vuurtoren zelf is een krachtig symbool dat door het hele boek heen schijnt. Hij staat voor iets dat voortdurend aanwezig is maar nooit echt bereikt lijkt te worden. In het begin is de tocht ernaartoe een kinderlijke wens, een belofte die telkens wordt uitgesteld. Tegen het einde, wanneer de boot eindelijk vertrekt, is het bereiken van de vuurtoren beladen met verlies, met herinnering, met het besef van tijd. Het is wonderlijk hoe deze ogenschijnlijke futiliteit, namelijk het wel of niet morgen naar de vuurtoren gaan, een hele roman lang de rode draad kan zijn waaromheen zich een wereld aan karakters en gedachten openbaart. Het is geen gemakkelijk boek om te lezen, maar als je het loslaat en mee laat deinen op de golven van de gedachten, gevoelens en verlangens van de personages in dit boek in de meanderende zinnen van Woolf voel je het boek. Het is een rijk boek dat het alledaagse verheft tot kunst, en die toont hoe diep menselijke emoties kunnen resoneren in iets ogenschijnlijk eenvoudigs als een familievakantie of een schilderij. Neem de tijd voor dit boek en laat het langzaam op je inwerken. Naar de vuurtoren van Virgina Woolf, vertaald door Barbara de Lange en uitgegeven door Athenaeum in 2022. Ben je nieuwsgierig geworden? Dit boek kan je onder andere bestellen via deze link. En laat liefde, menselijk en kwetsbaar, de dag van morgen bepalen. Er zijn schrijvers die de liefde proberen te vangen in woorden, en er zijn schrijvers die haar laten ademen door hun zinnen heen. Kahlil Gibran behoort tot die laatste categorie. In 'Een boekje over de liefde' toont hij niet alleen zijn meesterschap over taal, maar ook zijn vermogen om de liefde te beschouwen als iets wat voorbijgaat aan menselijk begrip. “Waar ben je nu, mijn andere zelf? Ben je wakker in de stilte van de nacht? Laat de zuivere wind elke hartslag van mij en al mijn gevoelens naar jou vervoeren.” Een mystieke kracht die de mens verheft en verwondt en in het alledaagse een plaats vindt. Dit dunne boekje is geen roman, het is geen verhaal, het is een prachtige verzameling van poëtische overpeinzingen, overdenkingen en flarden van wijsheid die het hart weten te raken. Neil Douglas-Klotz heeft deze verzameling van wijsheden van Kahlil Gibran in 2018 bij elkaar gebracht met het thema liefde, zowel de vriendschappelijke als de hartstochtelijke. In een prachtige vertaling van Wim van der Zwan is dit boekje in 2019 ook in Nederland gepubliceerd. “Droom je droom naar de hemel en deze zal jou je geliefde teruggeven.” Kahlil Gibran (1883–1931) was een Libanese dichter , filosoof en kunstenaar. Hij werd geboren in Bsharri, een bergdorp in het noorden van Libanon, en emigreerde later met zijn moeder en zussen naar de Verenigde Staten. In Boston kwam hij in aanraking met de Arabische literatuur én met westerse kunst en filosofie, een combinatie die zijn werk diepgaand zou beïnvloeden. Gibran schreef zowel in het Arabisch als in het Engels en ontwikkelde een unieke stijl waarin mystiek, spiritualiteit en poëtische beeldtaal samenkomen. “Zo was het en zo zal het altijd zijn: pas in het uur van afscheid kent de liefde haar eigen diepte.” Gibran schrijft over liefde zoals een schilder licht en schaduw mengt: zonder scherpe grenzen, met een gevoel voor nuance en stilte. Zijn woorden zijn eenvoudig en zijn taalgebruik is licht, maar de woorden dragen een gewicht en een gevoel dat raakt. “Vertrouwen is een oase in mijn hart die de karavaan van mijn denken nooit zal bereiken.” Ik vind het heerlijk om dit rustig te lezen en te overdenken. Het is een boekje waar ik de tijd voor neem en iedere zin langzaam op mij in laat werken. De immense wijsheid die schuil gaat in de zinnen, zowel over de hartstochtelijke en gemoedelijke alledaagse liefde tussen partners, de liefde in vriendschappen als ook de liefde voor mensen in het algemeen inspireert mij en draagt een onnoemelijke warmte in zich. “Want wat is een vriend die je slechts opzoekt om de tijd te doden? Zoek hem altijd op om de tijd te laten leven.” Wat dit werk zo bijzonder maakt, is de manier waarop Gibran de liefde niet idealiseert, maar heilig verklaart. Voor hem is liefde geen romantisch ideaal of tijdelijke vervoering, maar een goddelijke kracht die de mens moet doorstaan om tot inzicht te komen. “Wanneer de liefde je wenkt, volg haar,” schrijft hij, “al zijn haar wegen zwaar en steil.” In die ene zin ligt de kern van zijn denken besloten: de liefde is geen beloning, maar een beproeving; geen bezit, maar een overgave. “Liefde die is schoongewassen door tranen zal eeuwig puur en mooi blijven.” Het is een boekje wat troostend is en tegelijkertijd ook confronterend. Het laat je anders kijken naar de veelomvattendheid van liefde waar het in onze maatschappij een engere betekenis lijkt te hebben gekregen. De overgave die Gibran beschrijft in dit boek, maar ook de toewijding en de nadrukkelijke keuze om liefde naar alle mensen uit te stralen, inspireren, confronteren en omarmen. Gibran schrijft met de wijsheid van een profeet, maar ook met de gevoeligheid van een dichter die zelf door liefde is getekend. Zijn zinnen lezen als gebeden, maar nooit als preken. “Schoonheid straalt meer in het hart van degene die ernaar verlangt dan in de ogen van degene die ernaar kijkt.” Het boekje is fragmentarisch, het zijn kleine overpeinzingen van een enkele pagina en soms een paar pagina’s. Het toont liefde in verschillende contexten. De teksten vloeien organisch in elkaar over, zoals gedachten dat doen tijdens momenten van stilte of reflectie. Elk stukje tekst is als een afzonderlijke parel die glanst op zichzelf, maar samen vormen ze een snoer van spirituele schoonheid. Daardoor nodigt het boek niet uit tot snel lezen, maar tot mijmeren. “Je bent samen geboren en je zult altijd samen zijn. Maar laat er ruimte zijn in je samenzijn en laat de winden van de hemelen tussen jullie dansen. Houd van elkaar maar maak van de liefde geen kluister. laat de liefde veeleer een bewegende zee zijn tussen de kuisten van jullie beider zielen. Zingen en dan samen en wees vol vreugde maar laat ieder van jullie ook alleen zijn zoals de snaren van een luit alleen zijn, al trillen ze op dezelfde muziek. Geef elkaar je hart maar niet om het te bezitten. want enkel de hand van het leven kan je hart bezitten.” Wat opvalt, is dat Gibran een universele toon weet te vinden. Hoewel zijn denken geworteld is in het Midden-Oosten en beïnvloed door zowel het christendom als het soefisme, overstijgt zijn werk elke religieuze of culturele grens. Zijn woorden spreken rechtstreeks tot het menselijke hart, ongeacht achtergrond of overtuiging. Toch is de poëtische kracht die veel schrijvers uit het Midden-Oosten kenmerkt, de kracht en sterke onderlegger van dit boekje. Het is daarentegen geen zweverig boekje. Achter zijn lyrische taal schuilt een scherp inzicht in menselijke emoties. Hij weet hoe tegenstrijdig liefde kan zijn: hoe ze vrijheid verlangt en toch wil vasthouden, hoe ze verheft en vernietigt, hoe ze troost biedt en wonden slaat. In die tegenstellingen toont zich zijn menselijkheid. Hij idealiseert de liefde niet, maar aanvaardt haar dubbelzinnigheid als een noodzakelijke waarheid. “Vind me met je armen en omarm me. Laat de slaap dan onze zielen in eenheid omarmen.” Het boekje is evenzeer een spiegel als een gids. Een boekje over de liefde is een uitnodiging om opnieuw te leren luisteren: naar het hart, naar stilte, naar de fluistering van iets groters dan wijzelf. Het is wat de wereld nodig heeft om naar elkaar te kijken. Iets wat we terugzien in de vele stille protesten. Een oneindige liefde voor de wereld en voor elkaar. Laat dit boekje een manier zijn om thuis te komen, bij jezelf, bij de wereld, bij je vrienden en bij je geliefde. Mijmer, reflecteer en ontdek. “Mensen zijn verdeeld in verschillende groepen en stammen en horen bij landen en steden. Maar ik voel me een vreemdeling in alle gemeenschappen en behoor bij geen enkele nederzetting. Het heelal is mijn land en de hele mensheid mijn stam.” Een boekje over de liefde van Kahlil Gibran samengesteld door Neil Douglas-Klotz, vertaald door Wim van der Zwan en uitgegeven door Altamira in 2019. Ben je nieuwsgierig geworden? Dit boek kan je onder andere bestellen via deze link. |
Wie ben ikMijn naam is Anne Kleefstra. Ik lees al mijn hele leven graag. Vele vakanties en vrije uurtjes heb ik met mijn neus in de boeken doorgebracht. En ik vind het heerlijk! Categorieën
Alles
Archieven
December 2025
|










RSS-feed